Lezen: zo bereid je je voor op het leesexamen van het inburgeringsexamen buitenland
Bij Lezen lees je korte, eenvoudige Nederlandse teksten en beantwoord je vragen. Hier lees je welke teksten je kunt verwachten, hoe de vragen werken en hoe je het leesexamen oefent.
Lezen is het tweede onderdeel van het inburgeringsexamen buitenland. Op de examendag doe je het na KNS en een korte pauze. Je laat zien dat je een Nederlandse tekst op niveau A1 kunt lezen en de informatie kunt vinden die je zoekt: een tijd in een mededeling, een datum in een brief, een prijs in een advertentie.
Veel mensen zijn bang voor het leesexamen, omdat ze denken dat ze niet alle woorden kennen. Maar je hoeft niet elk woord te begrijpen. Het gaat erom dat je snapt wat de vraag zoekt en die informatie in de tekst vindt. Dat leer je snel als je veel oefent.
Wat test Lezen?
Lezen test of je korte teksten uit het dagelijks leven begrijpt. Denk aan:
- Een korte e-mail, een bericht of een brief (een uitnodiging, een herinnering aan een afspraak).
- Een mededeling of een bord (openingstijden, regels, waarschuwingen).
- Een advertentie (iets te koop, een huis te huur, een vacature).
- Een formulier, een tabel of een schema (bustijden, een cursusrooster).
- Een korte tekst met informatie (over de gemeente, een school of een dokter).
Vorm en tijd
Je hebt iets minder dan twee minuten per vraag, en het lezen van de tekst valt ook in die tijd. Goed omgaan met je tijd is hier dus belangrijker dan bij KNS.
Soorten vragen
Bij de meeste vragen zoek je informatie die duidelijk in de tekst staat. Soms gaat een vraag over het doel van de tekst of over wat iemand moet doen. Twee voorbeelden:
- Informatie zoeken: je leest een mededeling met de openingstijden van een bibliotheek. De vraag is hoe laat de bibliotheek op zaterdag dichtgaat. Het antwoord staat in één regel van de tabel. De rest hoef je niet te begrijpen.
- Doel en actie: je leest een korte brief van een school aan de ouders. De vraag is wat de ouders volgende week moeten meenemen. Daarvoor moet je de zin vinden waarin de school iets vraagt.
Op deze pagina zie je ook oefenvragen in de vorm van het examen. Alle vragen en nog meer vind je bij Alle vragen.
Veelgemaakte fouten
- De hele tekst woord voor woord lezen. Lees eerst de vraag en zoek dan het stuk in de tekst dat erbij hoort. Zo bespaar je tijd en blijf je niet hangen bij woorden die je niet nodig hebt.
- Het antwoord kiezen met een woord uit de tekst. Foute antwoorden gebruiken vaak woorden uit de tekst, maar zeggen iets anders. Controleer of het antwoord echt hetzelfde betekent als de tekst.
- Een ontkenning missen. Kleine woorden als niet, geen, alleen en pas veranderen de betekenis helemaal.
- Niet goed opletten bij data, tijden en getallen. Dagen (maandag, zaterdag), maanden en tijden komen vaak terug. Leer ze van tevoren goed.
- Te lang blijven hangen bij één moeilijke vraag. Markeer de vraag en kom er later op terug. Ook op het echte examen kun je terug naar teksten en vragen.
1. Leer de strategie
Begin bij Lezen in Uitleg per onderwerp met de Strategielessen: eerst de vraag lezen, het belangrijke woord vinden, de valkuilen in foute antwoorden herkennen. In deze lessen zitten geen vragen. Wat je leert, probeer je meteen uit bij de teksten.
2. Oefen de teksten met uitleg
Bij elke leestekst beantwoord en controleer je de vragen. De zin waar het antwoord op steunt, wordt in de tekst gemarkeerd, en moeilijke woorden zie je met hun betekenis in de tekst. Begrijp je alle vragen van een tekst? Markeer de tekst dan als Geleerd. Er zijn meer dan 90 teksten. Twee of drie teksten per dag is een goed tempo.
3. Herhaal in de vragenbank
Ga bij Lezen in Alle vragen de teksten nog een keer door, met de antwoorden verborgen. Schrijf op welke teksten je fout had en lees de uitleg nog eens.
4. Oefen met de klok
Met de oefenexamens Lezen oefen je zoals op het echte examen: 19 vragen met een tijdslimiet. Er zijn er meer dan twintig, en de teksten komen zo weinig mogelijk terug. Lees na elk oefenexamen de uitleg bij je fouten en kijk hoe je je tijd hebt gebruikt. Kom je tijd tekort? Let dan nog beter op: eerst de vraag lezen.
Voor het examen
Doe in de laatste dagen Lezen na KNS en voor Spreken, in de echte volgorde, met de echte examensimulatie. Lees voor de andere onderdelen de uitleg over KNS en Spreken, en voor het overzicht de pagina over het inburgeringsexamen buitenland.
Bronnen
Hoeveel vragen heeft het onderdeel Lezen?
Het leesexamen heeft 19 vragen en je hebt 35 minuten. De vragen horen bij een paar korte teksten. Bij één tekst kunnen een of meer vragen horen.
Moet ik elk woord kennen bij het leesexamen?
Nee. In teksten op niveau A1 staan ook woorden die je niet kent. Het gaat erom dat je de informatie vindt waar de vraag naar zoekt. Als je basiswoorden, dagen, maanden, getallen en tijden goed kent, kun je de meeste vragen beantwoorden.
Kan ik bij het leesexamen terug naar een vraag?
In het officiële oefenexamen kun je binnen het onderdeel terug naar teksten en vragen. Als je het onderdeel hebt afgesloten, kun je niet meer terug. Onze oefenexamens en de echte examensimulatie werken net zo.
Wat voor teksten krijg je bij Lezen?
Korte teksten uit het dagelijks leven: e-mails, brieven, mededelingen, advertenties, openingstijden en schema's. De officiële bronnen geven geen volledige lijst van soorten teksten. Veel verschillende teksten lezen is dus de beste voorbereiding.
Wat doe ik als ik tijd tekortkom bij Lezen?
Lees eerst de vraag en zoek dan de goede plek in de tekst. Probeer niet de hele tekst te vertalen. Twijfel je over een vraag? Markeer hem en doe hem aan het eind. Als je oefenexamens met de klok maakt, zie je bij welke vragen je de meeste tijd verliest.
Hoelang moet ik Lezen oefenen?
Dat hangt af van je niveau. Begin je bij nul? Leer dan eerst de basiswoorden en lees daarna elke dag een paar teksten. Haal je de oefenexamens ruim binnen de tijd? Dan ben je klaar.